Begrippenlijst
25 begrippen uit de hypotheekwereld, uitgelegd zonder jargon. Waar een percentage of bedrag ertoe doet, staat erbij dat je het moet nakijken: die getallen wijzigen jaarlijks.
A
Aflossingsvrije hypotheek
Je betaalt alleen rente en lost niets af. De hoofdsom staat aan het eind van de looptijd nog volledig open en moet dan worden afgelost of opnieuw gefinancierd. Voor hypotheken van na 2013 geeft deze vorm geen recht op renteaftrek.
Ook bekend als: aflossingsvrij
Annuïteit
Een aflosvorm waarbij je maandlast de hele looptijd gelijk blijft. In het begin bestaat die last vooral uit rente, later vooral uit aflossing. Handig als je zekerheid over je maandbedrag wilt.
Ook bekend als: annuïteitenhypotheek, gelijke maandlast
B
Bijleenregeling
De regel die zegt dat je overwaarde uit een vorige woning moet inbrengen in je volgende koop. Doe je dat niet, dan verlies je over dat deel het recht op renteaftrek.
Boetevrije ruimte
Het deel van je hypotheek dat je elk jaar mag aflossen zonder vergoedingsrente. Meestal tien procent van de oorspronkelijke hoofdsom. Wat je in een jaar niet gebruikt, vervalt doorgaans.
Bouwdepot
Bij nieuwbouw of verbouwing staat het nog niet gebruikte deel van je hypotheek in een depot. Je betaalt rente over de hele hypotheek, maar krijgt rente vergoed over wat er nog in het depot staat.
E
Effectieve rente
De rente die je werkelijk betaalt, inclusief het rente-op-rente-effect van maandelijkse berekening en inclusief de eenmalige kosten. Altijd iets hoger dan de nominale rente uit de aanbieding.
Eigenwoningforfait
Een percentage van de WOZ-waarde dat de Belastingdienst bij je inkomen optelt voor het woongenot van je eigen woning. Het gaat af van je aftrekbare rente voordat je teruggave overhoudt.
Ook bekend als: bijtelling eigen woning, EWF
Erfpacht
Je bezit de woning maar niet de grond; daarvoor betaal je canon aan de eigenaar. Die canon telt mee als woonlast en verkleint dus je leenruimte.
Ook bekend als: canon
F
Financieringslastpercentage
Het deel van je bruto inkomen dat aan hypotheeklasten mag opgaan. Het Nibud stelt de tabellen jaarlijks vast; het percentage beweegt mee met je inkomen en met de rente.
Ook bekend als: woonquote
H
Hoofdsom
Het bedrag dat je leent. Alles wat je daarnaast betaalt is rente, en die rente wordt elke maand berekend over het deel van de hoofdsom dat nog openstaat.
Ook bekend als: leenbedrag, hypotheekbedrag
Hypotheekrenteaftrek
De rente op je eigenwoningschuld mag je aftrekken van je inkomen, maximaal dertig jaar en alleen als je annuïtair of lineair aflost. Je telt eerst het eigenwoningforfait op; pas over wat overblijft krijg je belasting terug.
Ook bekend als: renteaftrek
K
Kosten koper
De eenmalige kosten bij aankoop die je niet mag meefinancieren: overdrachtsbelasting, notaris, taxatie, advies en soms een makelaar. Vuistregel is vier tot zes procent van de koopsom, maar reken het altijd na.
Ook bekend als: k.k., kk
L
Lineaire hypotheek
Je lost elke maand hetzelfde bedrag af. Doordat je schuld gestaag daalt, daalt ook de rente en dus je maandlast. Je begint hoger dan bij een annuïteit, maar betaalt over de hele rit minder rente.
Ook bekend als: lineair
N
NHG
Nationale Hypotheek Garantie. Tegen een eenmalige premie staat het waarborgfonds garant als je door omstandigheden je hypotheek niet meer kunt betalen. In ruil krijg je meestal een lagere rente.
Ook bekend als: Nationale Hypotheek Garantie
O
Onder water staan
Je hypotheek is hoger dan de woning waard is. Aflossen en waardestijging werken allebei mee om er weer boven te komen.
Ook bekend als: onderwaarde
Overdrachtsbelasting
Belasting die je betaalt bij de overdracht van de woning. Het tarief verschilt per situatie en wordt jaarlijks bijgesteld; controleer het actuele tarief bij de Belastingdienst.
Oversluiten
Je bestaande hypotheek aflossen en een nieuwe afsluiten, meestal om een lagere rente te krijgen. Reken de vergoedingsrente en de advies- en notariskosten mee om te zien na hoeveel tijd je uit de kosten bent.
Overwaarde
Het verschil tussen de waarde van je woning en je openstaande schuld, voor zover dat positief is. Bij verkoop komt dat bedrag vrij; de bijleenregeling verplicht je het bij een volgende koop weer in te brengen.
R
Rente middelen
In plaats van de vergoeding in één keer te betalen, verwerkt de bank hem als opslag in een nieuw gemiddeld rentepercentage. Je maandlast daalt meteen, maar je betaalt de vergoeding alsnog, uitgesmeerd over de nieuwe periode.
Ook bekend als: rentemiddeling
Rentevastperiode
De periode waarin je rentepercentage niet verandert. Kort vastzetten is meestal goedkoper, lang vastzetten geeft zekerheid. Aan het eind van de periode krijg je een nieuw voorstel.
Ook bekend als: rentevaste periode, rentevast
Restschuld
Wat er van je hypotheek nog openstaat. Binnen de looptijd is dat het bedrag na de aflossingen tot dat moment. Na verkoop is het wat er overblijft als de opbrengst lager is dan je schuld.
Risico-opslag
Een opslag op je rente die hoort bij de verhouding tussen je schuld en de woningwaarde. Zakt je schuld onder een klassegrens, dan kun je een lagere opslag aanvragen. Bij veel aanbieders moet je dat zelf doen.
Ook bekend als: renteklasse, loan to value, LTV
T
Toetsrente
Het rentepercentage waarmee een geldverstrekker rekent bij het bepalen van je leenruimte. Bij een korte rentevastperiode ligt dat hoger dan de rente die je werkelijk betaalt, omdat je rente tussentijds kan stijgen.
V
Vergoedingsrente
Wat je betaalt als je eerder uit je rentevastperiode stapt terwijl de rente is gedaald. Het is het renteverschil over het niet-boetevrije deel van je schuld, over de resterende periode, contant gemaakt naar vandaag.
Ook bekend als: boeterente, boete
W
Wet Hillen
De regeling die je een extra aftrek gaf als je rente lager was dan het eigenwoningforfait. Sinds 2019 wordt die aftrek in jaarlijkse stappen afgebouwd, zodat mensen met een bijna afgeloste hypotheek langzaam meer gaan betalen.
Ook bekend als: aflosboete